Jazz als creatieve muziek
In de jaren 70 krijgt de drang naar vernieuwing een institutionele vorm binnen de Association for the Advancement of Creative Musicians (AACM) en de New Yorkse loftscene, waar artiesten als Wadada Leo Smith jazz losmaken van vaste structuren en benaderen als een open systeem.
Deze lijn – jazz als creatieve muziek – loopt door via de downtown scene in New York, waar musici als Bill Frisell een geheel eigen klankwereld ontwikkelen waarin improvisatie, compositie en invloeden uit folk en Americana samenvloeien. In het verlengde daarvan staat ook Julian Lage op het programma, die deze traditie voortzet met een eigentijdse benadering van gitaarspel en vorm.
In het werk van Vijay Iyer en Wadada Leo Smith, die samen optreden, komen compositie, improvisatie en maatschappelijke urgentie samen. In de huidige generatie wordt dit voortgezet door musici als Kris Davis, Patricia Brennan en Tomeka Reid, die de grenzen van vorm en klank verder verleggen.
Europese improvisatie
In Europa ontwikkelt zich in de jaren 70 een eigen traditie van geïmproviseerde muziek. In Nederland gebeurt dat met Misha Mengelberg en Han Bennink, maar ook breder in Europa ontstaat een benadering waarin improvisatie volledig autonoom wordt. Die lijn is aanwezig op het festival met het Italiaanse Artchipel Orchestra, dat het werk van Mengelberg eert met speciale gast Michael Moore, en met de groep van Pierre Courbois, die ook al op de eerste editie van North Sea Jazz speelde.
In de jaren daarna doorbreekt een nieuwe en eerste generatie aan het conservatorium geschoolde jazzmusici de scheidslijn tussen jazz en geïmproviseerde muziek. Benjamin Herman, Eric Vloeimans en Yuri Honing speelden hierin een sleutelrol, onder meer in het Michiel Borstlap Sextet in de jaren 90, waarin stijlen zich vermengden. Die open benadering werkt door in een jongere generatie met Reinier Baas en Ben van Gelder, die deze vrijheid verder uitbouwen.